Op 21 mei 1909 stichtte mijn overgrootvader, Johannes Klein Haneveld, klompenmaker te Twello, een klompenfabriek aan de Snippeling te Diepenveen.
Reden voor mij om me eens wat te verdiepen in dit vaderlandse product.
Nevenstaand artikel is samengesteld aan de hand van krantenberichten. Deze kranten zijn te raadplegen op de site van de Koninklijke Bibliotheek.

Een oorlog van vorsten en klompenmakers
De Nederlandse klompenindustrie beleefde tijdens de Eerste Wereldoorlog goede tijden. Naast een behoorlijke vraag zijn er goedkope arbeidskrachten: Geïnterneerde Belgische vluchtelingen worden tewerk gesteld in de klompenindustrie. In die periode wordt ook getracht nieuwe fabrieken te stichten.
Maar elke zaak heeft meer dan één kant. De verschrikkingen van de oorlog, die zich buiten onze landsgrenzen afspeelt, ontlokken onze vaderlandse pers cynisch commentaar: de enige die er baat bij hebben, zijn de verschillende vorsten ... en de opperste klompenmakers der diverse landen.
Overigens hadden de klompenmakers ook een probleem: het hout werd erg duur. Goed klompenhout werd soms verkocht als brandhout tegen een prijs, die de klompenmakers er onmogelijk voor konden geven.

Naoorlogse malaise
Na de oorlog braken er echter moeilijke tijden aan, waaraan meerdere factoren ten grondslag lagen. Allereerst gingen langzamerhand steeds meer mensen ertoe over om leren schoenen of laarzen te dragen. Maar er waren ook internationale factoren: een invoerstop in Duitsland en hevige concurrentie uit België, waar de lonen beduidend lager waren dan in Nederland. Bovendien werd er Nederlands populierenhout goedkoop geëxporteerd - te goedkoop naar de zin van de klompenmakers, waarvan vele nog een grote voorraad duur ingekocht hout hadden liggen. Zo kon het gebeuren, dat er een ongelooflijk grote hoeveelheid klompen op afnemers lagen te wachten. Men kon rustig adverteren met kreten als: "uit voorraad leverbaar - in elke hoeveelheid".
De klompenbranche vraagt in deze gecompliceerde situatie hulp van de regering.

Nationale trots in gevaar
De manier waarop er over de klompenindustrie ("onze klompenindustrie")gesproken wordt, getuigt van enig chauvinisme. Maar de klompenindustrie neemt een ereplaats in onder onze industrieën! In België worden ook wel klompen gemaakt, maar kwalitatief zijn de Gelderse en Brabantse klompen toch veel beter. Ze verkopen alleen niet zo goed, omdat ze te duur geproduceerd worden.
Dat leidde ertoe dat de lonen in de klompenindustrie daalden en er sociale onrust ontstond.
In eigen land werd door stillegging van de productie per december 1919 geprobeerd de regering te bewegen invoerheffingen toe te passen op buitenlandse klompen of de export van populierenhout te beperken. Niet alle fabrieken werkten daar aan mee: sommigen werkten door, maar verlaagden wel de lonen van de klompenmakers. Maar daar dit soort heffingen vooral de minder draagkrachtigen zouden treffen, wilde de minister daar niet van weten.
De productie werd pas een half jaar later hervat. Toen werd het even druk, zodat de werknemers, die voor stukloon werkten, de minister verzochten de achturige werkdag niet voor hen te laten gelden, omdat anders hun lonen ontoereikend zouden zijn om hun gezinnen te onderhouden.

Inspanningen om het tij te keren
Maar lang heeft het niet geduurd, voordat de branche weer met teruggang en werkeloosheid te maken kreeg. Soms was er wel even een opleving, zoals gedurende een periode van zware regenval, maar dat bracht geen structurele oplossing. Toch werd er alles aangedaan om het tij te keren. De klompenbranche zelf nam maatregelen: men probeerde nieuwe afzetmarkten te creëren of om te bezuinigen op de productiekosten door mechanisatie van het productieproces. Vertegenwoordigers uit de klompenbranche reisden naar Amerika om te proberen daar een afzetmarkt te creëren. Tevergeefs. Om te beginnen gooide een havenstaking in Rotterdam roet in 't eten, maar uiteindelijk was de conclusie ook, dat Amerika geen markt voor klompen was.
Zelfs productvernieuwing stond op het programma: klompen die je van dichtbij moest bekijken om te zien dat het geen schoenen, maar klompen waren ....
Een mooi initatief was ook, om de minister te vragen voortaan het Nederlandse leger en de marine op Hollandse klompen te laten lopen. Ook probeerde men op de wereldmarkt goedkoop hout te betrekken, uit Roemenië, Rusland, Polen en Suriname bijvoorbeeld, maar de transportkosten gooiden roet in het eten.
Zelfs werd het creatieve idee naar voren gebracht om, ter bevordering van de export naar Duitsland, de valutaproblemen te omzeilen door een soort ruilhandel op te zetten, waarbij Duitse afnemers van klompen betalen aan Duitse exporteurs van andere goederen en de klompenmakers betaald worden door Nederlandse importeurs van Duitse producten.

Overheidssteun?
Wie de kranten uit de jaren twintig en dertig doorbladert, komt voortdurend de discussie tegen om de klompenmakers met overheidssteun tegemoet te komen. Hetzij door - zoals in België - de gulden in waarde te laten dalen, hetzij door de heffing van invoerrechten op klompen. Maar de opeenvolgende regeringen zijn unaniem in hun weigering de industrie te steunen. Veel meer zouden de klompenfabrikanten zich moeten inspannen de productiekosten omlaag te brengen en de distributie van hun producten te verbeteren.
In 1928 besluit de regering toch iets te doen. Weliswaar worden de (hernieuwde) voorstellen voor een invoerheffing, desnoods een tijdelijke, afgewezen, maar de regering trekt wel ƒ 4.000 uit om een promotiefilm voor de Nederlandse klompenindustrie te maken. Maar het volk kon gerust zijn: er zou zeker niet teveel geld aan uitgegeven worden en zo kon men al gauw in de bioscoop als voorfilm deze ongetwijfeld interessante rolprent bekijken. Maar of deze lofzang op dit typisch Nederlandse product veel zoden aan de dijk zette ...? De roep om overheidssteun zou tot diep in de jaren dertig blijven klinken - evenals de klachten over de "oneerlijke" concurrentie uit België, waar men zelfs delinquenten uit de jeugdgevangenissen gebruikte als goedkope arbeidskrachten!

Het Vaderland, 20 augustus 1927
Het Vaderland, 20 augustus 1927


Bedrijfssluitingen
Al met al was het dus niet verwonderlijk, dat er in de loop der jaren voortdurend fabrieken gesloten werden of - zelfs als ze nog maar net geopend waren - te koop werden aangeboden, soms met als verkooppraatje: "ook geschikt voor houtbewerking, wasscherij, enz." Ook werd er naar nieuw kapitaal gezocht. Wie geld had kon makkelijk directeur of compagnon worden van een klompenfabrikant. sheet 15

Branden
Opmerkelijk is, dat in de jaren twintig en dertig met enige regelmaat klompenfabrieken afbranden. Minstens even opmerkelijk is het, dat deze berichten uit de uithoeken van ons land de grote landelijke kranten halen! Om maar een greep te doen: Diepenveen (1925), Varsseveld (1929), Leeuwen (1930), Ameide (1932), Stevensweert (1933), Apeldoorn (1935), Best en Schijndel (1936), Doetinchem (1937).

Goede tijden? Slechte tijden?
Als in 1939 in diverse delen van Europa de oorlog uitbreekt, wordt leer een schaars artikel. Er vertonen zich in de klompensector tekenen van herstel en de vertegenwoordigers van de branche herinneren eraan, dat de jaren 1914-1918 voor de klompenmakerij ook niet de slechtste waren ... Had men echt geen idee wat de oorlog verder zou brengen?

Het Vaderland, 4 juli 1940
Het Vaderland, 4 juli 1940


Deze trend zet zich tijdens de oorlog voort en in de kranten uit die tijd vind je dan ook jubelende verhalen over deze vitale sector, die in deze moeilijke tijd zo goed presteert.

v/h Klein Haneveld & Smits

In de boven beschreven periode oefende Johannes Klein Haneveld te Twello zijn beroep als klompenmaker uit, zoals zijn vader Jan Klein Haneveld vóór hem gedaan had.
Op 21 mei 1909 kochten Johannes en de boomkweker Mattheüs Adrianus Smits, woonachtig aan de Snippeling bij Deventer een klompenfabriek aan de Snippeling. Deze fabriek voerde de naam "Klein Haneveld & Smits". Op 6 mei 1916 richtten ze, samen met H. Kuik uit Wildervank de "N.V. Klompenindustrie v/h Klein Haneveld & Smits" op. Op dat moment bezit Johannes Klein Haneveld ook nog zijn klompenmakerswerkplaats te Twello.

In de nacht van 22-23 januari 1925 brandt de fabriek geheel af (zie het bericht uit De Telegraaf). Op 7 maart 1931 treedt Christoffel Johannes Zonneveld als directeur toe tot het bedrijf. Maar het is niet voldoende om de algehele malaise het hoofd te bieden. Op 9 februari 1932 wordt de klompenfabricage stopgezet. Het bedrijf gaat dan verder als klompenhandel. Het vestigingsadres wordt statutair gewijzigd in Wilhelminastraat 15 te Oosterbeek, het woonadres van mededirecteur C.J. Zonneveld. Het faillissement volgt op 17 maart 1933.